Bijvangst

Barry Smit

Blog

Barry Smit greep voor zijn romans Bloedwonder en het zojuist verschenen De zomer van ’47 terug naar de stamboom van zijn familie. Vooral de Egmondse tak gaf veel bijvangst. 

In 977 bouwde herenboer Walgerus voor een aantal arme vissers bescheiden huisjes op een stuk grond aan de Noord-Hollandse kust. Bij wijze van pacht moesten ze 10% van de vangst afstaan aan het klooster in Egmond Binnen. Deze plek groeide uit tot Egmond aan Zee, ook bekend als Derp. 

Of er al voorouders van mij bij de eerste Derpers zaten is niet te achterhalen. De vroegste voorzaat die ik vond was Koendert Jansz, geboren in Egmond in 1564. Zijn vader Jan en zijn moeder woonden waarschijnlijk ook in het dorp, maar over hen is verder niets terug te vinden. 

Koendert was dorpsbode en vuurboeter. Het dorpsgezicht wordt al sinds 1834 bepaald door de vuurtoren Van Speyk, maar drie eeuwen eerder stond er nog geen toren en moest de scheepvaart zich oriënteren middels vuurbakens die brandden op de hoogste duinen. De vuurboeter moest het fik gaande houden. Na Koendert werden nog elf generaties bloedverwanten geboren en getogen in Egmond aan Zee, tot m’n grootouders in 1942 door de Duitse bezetter het dorp uit werden gezet.

Egmond aan Zee ontwikkelde zich in de eeuwen tot een eigenzinnig plek met een eigen taal, verwant aan andere vissersdialecten van rond de Noordzee. Wie het hoort – het is een gesproken taal, geen geschreven taal – hoort de invloed van het Engels. Logisch, de vissers verkochten hun vangst immers ook aan de overkant, en vissers van de overkant brachten hun vangst ook hier aan de man. 

Ik groeide vijf kilometer verderop op, in Heiloo, maar als Egmonders echt het Derper taaltje spraken verstonden we er maar weinig van. M’n grootmoeder was geboren en getogen in Derp en als zij sprak moest m’n vader regelmatig tolken. In de jaren ’80 ging ik naar de mavo in Heiloo en kwam ik bij een Egmonder in de klas die voor mensen van buiten z’n dorp slecht verstaanbaar was. Hij kwam uit een traditionele Derper familie en ging ook nog 's nachts met z’n grootvader konijnen stropen in de duinen. 

De stropers van Egmond waren eeuwenlang berucht. In rechtbankverslagen in Alkmaar zijn tal van zaken terug te vinden rond de permanente oorlog in de duinen tussen de Derpers en het gezag, waarbij zelfs doden vielen. Egmonders stonden bekend als rauw volk, altijd in gevecht met de armoede van het bestaan als visser of keuterboer, en met de autoriteiten die hen onder de knoet hielden. In zijn boek Het zilte leven van Engel Zwart gaf Peter Gerritse een fraaie schets van het karakter dat de dorpsbewoners werd toegeschreven:

“Egmonders (…) hebben altijd een beetje het stigma van uitheemsheid en onbuigzaamheid gehad. Ze vormen dan ook een herkenbare etnische minderheid met een eigen specifiek uiterlijk (sterk noordelijk), een eigen afwijkend dialect en een afwijkende godsdienst. Egmonders waren gevierd drinkers (en soms ook vechters) op Noordhollandse kermissen, en sedert jaar en dag behoren zij, joviaal en onopgesmukt tot de vaste klanten van de Alkmaarse rechterlijke balie. Had je een wijze rechter dan hield-ie er in zijn achterhoofd al rekening mee dat zij nu eenmaal waren voortgekomen uit sterk, viriel Noormannenzaad en dat zij het mitsdien moeilijk hadden met de heersende moraal.”

De reputatie is er nog altijd. Dichter Menno Wigman schreef in 2012 in zijn gedicht Egmond aan Zee: “Het is een volk van stugge gutturalen / Het gromt en godverdomt zich door de dagen”. De Sterkste man van Nederland en wereldkampioen powerliften Gerard du Prie was tot voor kort een van de bekendste Egmonders en een gepast icoon voor het dorp. 

De rauwheid was geen gekozen karaktertrek, maar kwam voort uit de armoede die aan de kust nog net iets killer voelde dan landinwaarts. In de jaren ‘20 van de vorige eeuw liep mijn overgrootvader 18 kilometer over het strand naar de haven van IJmuiden om te kijken of hij kon aanmonsteren op een vissersboot. Niet zelden kon hij zonder werk en dus zonder geld weer 18 kilometer terug naar huis lopen. Dan mocht hij het later die week nog een keer proberen.

Het werk aan boord was hard en gevaarlijk. Mijn overgrootvader had een stiefvader, Leendert Blok, die als kok werkte op de Johanna, een schip dat twee keer een tragedie meemaakte. In 1916 kwam het in een storm bij de Vliehors terecht. Waarschijnlijk dacht de bemanning dat het schip zou vergaan en vluchtte het in paniek de reddingssloep in. De Johanna werd de volgende ochtend aan het strand van Vlieland aangetroffen, zonder schade, maar leeg. Van de reddingssloep werd geen splinter teruggevonden. Onder de tien verdwenen bemanningsleden waren naast Leendert Blok ook Gerrit Zwart en Kos Zwart, zwagers van mijn overgrootvader, en Leendert Zwart, het 14-jarig zoontje van Gerrit Zwart, een neefje van mijn oma. De impact van zo’n ramp in een dorp waar iedereen elkaar kende is moeilijk voorstelbaar.

Drie jaar later liep hetzelfde schip met een nieuwe goeddeels Egmondse bemanning bij de Doggersbank op een zeemijn die na de Eerste Wereldoorlog was achtergebleven. Vissers verderop hoorden een ontploffing, zagen een rookzuil en ter plaatse aangekomen troffen zij niets of niemand meer aan. In totaal vertrokken achttien mannen en jongens met de Johanna om nooit meer terug te keren.

De slachtoffers van het incident met de zeemijn staan op het Egmondse Vissersmonument. Nederland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog, maar dankzij de zeemijnen kwamen maar liefst 99 Egmonders om het leven. Op een dorp met zo'n 3000 inwoners betekent dit dat vrijwel elke familie en elke straat werd getroffen. Tallozen andere gingen in de loop der eeuwen ten onder aan noodweer, brakke schepen of omdat ze tijdens het werk overboord sloegen. Voor hen geen monument, dat was gewoon het dagelijks leven. 

De generaties tussen mijn vroegste Derper voorouders en het vertrek van mijn laatste directe familieleden hielden zich bijna allemaal bezig met vissen. De mannen waren op zee, de vrouwen repareerden netten, dreven handel of werkten in de huishouding van de rijkere eigenaren van de schepen. Mijn Derper oma trouwde met een Alkmaarse fabrieksarbeider, maar vestigde zich met haar man wel in Egmond. Op 25 november 1942 ontvingen ze echter een Ontruimingsbevel van de Burgemeester: 

Egmond werd onderdeel van de Atlantikwall, een stelsel van bunkers en versperringen die een geallieerde invasie zou moeten afweren. Het jonge gezin van m’n grootouders had een driejarige dochter en moet precies deze weken hebben gemerkt dat er nog een kleine op komst was – m’n vader. Ze raakten hun huisje kwijt en werden naar Alkmaar verkast. Opa moest zich melden bij de Arbeitseinsatz en werd in een vrachtwagen gezet om op Texel greppels te graven. De bejaarde ouders van m’n oma werden door de Duitsers weggehaald uit het verzorgingstehuis en naar een voorziening in Wageningen getransporteerd. Weg uit hun bekende omgeving, geen familie of bekenden meer om hen heen. Ze stierven binnen enkele maanden. M'n oma heeft haar ouders nooit meer gezien. M’n opa had zijn bejaarde vader al eerder in de oorlog verloren, toen die tijdens de verduistering die de Duitsers hadden ingevoerd in Alkmaar te water was geraakt en was verdronken. Opa en oma haatten de Moffen.

Na de oorlog bleven m’n grootouders in Alkmaar, waar meer werk was dan in Egmond. Daarmee heeft m’n familie het dorp na minstens elf generaties verlaten - verre achterneven en -nichten uitgezonderd. Maar we zijn niet helemaal verdwenen. Na het overlijden van m’n vader strooiden we zijn as uit op het strand. Zonder vergunning te vragen aan de autoriteiten, want dat had niet gepast niet bij de geest van Derp.